Waarom kan een advocaat niet meteen zeggen hoeveel je krijgt?
Elke letselschadezaak is anders. De schadevergoeding die je uiteindelijk krijgt, hangt af van de gevolgen die het ongeval voor jou heeft. En die gevolgen worden pas duidelijk als je het genezingsproces hebt doorlopen en duidelijk is welke klachten blijven.
Ben je volledig hersteld? Dan kan het zijn dat de schade beperkt blijft tot kosten die je tijdens de herstelperiode hebt gemaakt en een vergoeding voor het leed. Houd je blijvende klachten? Dan kan de schade een stuk hoger uitvallen, vooral als je minder kunt werken.
Daarom werkt een letselschadeadvocaat meestal in stappen. Eerst de aansprakelijkheid rondkrijgen. Dan het medische traject doorlopen. Pas daarna kan de schade echt in kaart worden gebracht. Meer over hoe aansprakelijkheid bij letselschade werkt, lees je in een apart artikel.
De drie schadecomponenten die in bijna elke zaak terugkomen
Wat wél voor bijna elke zaak geldt: de schadevergoeding bestaat uit drie hoofdcomponenten. De verdeling verschilt per situatie, maar deze drie posten komen zo goed als altijd terug:
- Verlies aan verdienvermogen (de inkomstenkant)
- Kosten aan de uitgavenkant
- Smartengeld
Hieronder leggen we ze één voor één uit.
1. Verlies aan verdienvermogen
In financiële omvang is verlies aan verdienvermogen vaak de grootste post. Het gaat om het inkomen dat je misloopt doordat je door het ongeval niet meer, minder of ander werk kunt doen.
Denk aan:
- Je kunt helemaal niet werken, al is het tijdelijk
- Je kunt minder uren werken dan voor het ongeval
- Je moet ander werk zoeken omdat je oude werk niet meer mogelijk is
- Je bent ondernemer en je bedrijf moet iemand inhuren die je anders zelf zou hebben gedaan
Al deze situaties zorgen dat je netto minder overhoudt dan zonder het ongeval het geval zou zijn geweest. Dat verschil is je schade.
Om verlies aan verdienvermogen goed in kaart te brengen, schakelen we vaak deskundigen in. Een arbeidsdeskundige kijkt bijvoorbeeld of en in welke mate je nog kunt werken. Een bedrijfseconoom maakt een berekening van het inkomensverlies, zeker als je ondernemer bent en de situatie complexer wordt.
2. Kosten aan de uitgavenkant
Naast inkomstenverlies kun je ook schade hebben aan de uitgavenkant. Dat zijn kosten die je moet maken als gevolg van het ongeval en die je zonder het ongeval niet had gehad.
Voorbeelden:
- Medische behandelingen en eigen bijdragen
- Hulp in het huishouden als je dat niet meer zelf kunt
- Klussen in en om het huis die je anders zelf zou hebben gedaan
- Reiskosten naar behandelaars, zoals de fysiotherapeut of het ziekenhuis
- Aanpassingen in huis of auto
Deze posten zijn op zichzelf vaak niet zo hoog. Maar over de tijd lopen ze snel op, vooral als het herstel langer duurt. Daarom is het belangrijk om ze bij te houden en bonnetjes te bewaren. Je advocaat helpt je om deze kosten helder in kaart te brengen en onderbouwd bij de verzekeraar neer te leggen.
3. Smartengeld
Smartengeld is een vergoeding voor het leed en de pijn die je door het ongeval hebt doorstaan. Dit is wat de meeste mensen kennen als “schadevergoeding”, maar in de praktijk is smartengeld maar één van de drie onderdelen.
In Nederland wordt smartengeld begroot naar billijkheid. Dat klinkt vaag, en dat is het in zekere zin ook. Wat voor jou billijk is, kan voor iemand anders heel anders aanvoelen.
Om toch tot een onderbouwd bedrag te komen, kijken we naar twee dingen:
1. Uitspraken van rechters. In Nederland bestaat de ANWB Smartengeldgids, waarin uitspraken van rechters over smartengeld zijn verzameld. Als er een eerdere uitspraak is over een vergelijkbaar letsel, kan die als richtlijn dienen voor jouw zaak.
2. De Rotterdamse schaal. Sinds een aantal jaar is er ook de Rotterdamse schaal, waarin voor bepaalde letsels een kader wordt gegeven waarbinnen de smartengeldvergoeding zich beweegt. Dit geeft vaak een iets makkelijker te begrijpen beeld van hoe een smartengeldbedrag is opgebouwd. Daarom werken wij er steeds vaker mee.
Welk kader het beste past, hangt af van het letsel en de concrete situatie. Soms combineren we beide bronnen om tot een onderbouwd voorstel te komen.